Interview met Winther Degrauwe
Winther Degrauwe is stilaan een vaste waarde aan het worden in het nationale team. Als junior behaalde hij goud in de 8+M tijdens de jeugdcup 2003 te Hazewinkel. De Antwerpse roeier werd 12de tijdens het WU23 in 4-M 2006, dat eveneens te Hazewinkel werd gehouden.
Afgelopen jaar liep het minder vlot in de 8+BM, waarin ze 13de en laatste werden tijdens het WU23. Hoe ziet hij zijn seizoen, wat zijn zijn ambities en behaald België met hem een Olympische medaille in London ? Wij vroegen het hem zelf.
RIB: Hoe ben je in de roeiwereld terecht gekomen en sinds wanneer roei je ?
Winther: Het is dankzij m’n broer Fedrik dat ik ben beginnen roeien. Hij zocht een sport, en kwam samen met Ben Lismont bij het roeien. Op dat moment voetbalde ik nog bij Schilde, maar vulde mijn tijd daar hoofdzakelijk met bankzitten. Hierin bleek ik echter zó goed te zijn, dat ik besloot deze weg verder te bewandelen en het aantal uren bankzitten per week gevoelig op te drijven. Roeien leek me hiervoor de beste sport, en aldus geschiedde – het was de koude winter van 2000. Al snel kwam ik onder de vleugels van Rita (Goethals), die me in sneltempo leerde roeien.
RIB: Bijna 5 jaar geleden behaalde de 8+JM, waar je in zat, goud op de CDJ te Hazewinkel. Hadden jullie dat toen verwacht ?
Winther : Nee, dit was absoluut een onverwacht resultaat, ik denk voor de hele ploeg. Als ik me niet vergis waren we op dat moment nog allemaal ‘bleukes’ op internationaal niveau. We hadden dus totaal geen idee hoe we ons niveau moesten inschatten. Tot ongeveer een week voor de start van de Coupe de la Jeunesse draaide onze 8+ ook helemaal niet goed: er zaten veel individuen in de boot, en weinig ploeg. We werden ook herhaaldelijk naar huis geroeid door de 4x! Dankzij een kordate trainer en enkele stevige trainingen raakten we dan toch op gang, maar uiteraard lagen de verwachtingen niet erg hoog.
Na onze reeks de eerste dag, waarin we toch een lengte moesten prijsgeven op de winnaar, waren we vooral erg blij in de finale te zitten. Die dag haalden we onverhoopt zilver, wat ons en de trainers al het hoogst haalbare leek. De Engelse ploeg leek outstanding.
De tweede dag waren we opnieuw tweede in de reeksen, en met niets te verliezen gingen we ongecompliceerd van start in de finale, met het bekende resultaat. Naar mijn aanvoelen is dat onder andere de reden van ons succes toen: we dachten weinig na over onze kansen of die van de tegenstand, we waren erg geconcentreerd en vastbesloten een voor ons zo goed mogelijk kampioenschap te varen. Of we met die optimale prestatie nu 6e of 2e (laat staan eerste) werden, speelde eigenlijk weinig mee. Ik denk dat die onbevangenheid wel degelijk een voordeel was – in combinatie met een zeer goede begeleiding en een sterke slagroeier (Stijn Cornelis red.).
RIB: Samen met Benoit Janssens ben je nog zowat de enige van die jonge ploeg die vorig jaar nog steeds in die 8 zat. Hoe verklaar je dat ?
Winther: Allereerst: van die 8+ uit 2003 zijn er wel meer mensen doorgegaan nadien: Stijn Cornelis (slagroeier) is nog steeds sterk bezig, Ruben De Gendt en Alexander Koch eveneens, Hannes De Reu zat dit jaar in Engeland maar is nagenoeg onklopbaar in de skiff, François Libois is een gevestigde waarde,... Er is dus slechts één man (Gilles Huyghebaert) die er ondertussen niet meer bij is.
Het lijkt me dus eerder het omgekeerde van je stelling: van die 8+ uit 2003 zijn er opvallend veel mensen nog steeds aanwezig op hoog niveau in de roeiwereld – zeker als men vergelijkt met de 4x van dat jaar, of de jongens die naar het WK in Athene gingen (Tiago Cardoso was er dit jaar opnieuw bij na lange afwezigheid).
Een verklaring dààrvoor vind ik nogal moeilijk: toeval kan een enorme factor zijn. Toch denk ik ook dat we allemaal een vrij ontspannen houding hadden, die ons zowel toen als nadien geholpen heeft. Genre ‘take it as it comes’... Ik heb de indruk dat de mentale druk op de WK-gangers veel hoger lag, en dat dit mogelijk meespeelde. Niet vergeten ook dat wij zoals gezegd ‘nieuwelingen’ waren. Anderen stonden op dat moment al enkele jaren op hoog niveau te presteren, op die leeftijd slaat dan al snel een mentale vermoeidheid toe.
Ik denk dat men daar bij het werken met junioren goed voor moet oppassen: brand ze niet op tegen dat ze 18 zijn. Als we op lange termijn toproeiers willen hebben, moet er geleidelijk gewerkt worden.
RIB: Vorig jaar gingen jullie er tijdens het WU23 behoorlijk snel uit. Hoe groot was de teleurstelling ?
Winther: Het was vanzelfsprekend een grote ontgoocheling, omdat we niet naar Schotland gegaan waren om met twee tienden uit de finale gehouden te worden. Ook hadden we in mei laten zien dat we boven onszelf konden uitstijgen op de belangrijke momenten. We hadden gehoopt dit opnieuw te kunnen doen.
Anderzijds moet ik toegeven dat we – achteraf bekeken – weinig aanspraak op meer konden maken. Die conclusie kan hard lijken, maar ik denk dat ze me terecht lijkt. Allereerst was de voorbereiding allerminst veelbelovend. Zowel op de regatta’s van GRS en KRSG waren de resultaten middelmatig: een ploeg met WK-ambities moet die wedstrijden winnen, punt uit. In KRSG haalden we niet eens de finale. Het duurde erg lang voor we mentaal als ploeg zijn beginnen ageren. In Keulen is dit gelukt, met een selectietijd tot gevolg. Nadien is de ploeg én onze manier van roeien omgegooid, en ik denk dat we er erg (té) lang over gedaan hebben ons aan die nieuwe situatie aan te passen. We waren dus niet klaar op het moment dat we naar Schotland gingen, ondanks het harde werk.
Toch hoop je altijd op meer dan een laatste plaats.
RIB: Had je niet liever met Jo Chielens in 2- blijven roeien ?
Winther: Absoluut en volmondig: neen. Ik roei zeer graag samen met Jo, en de 2- liep absoluut niet slécht, maar ik denk niet dat we met ons postuur, onze technische bagage en ervaring van dat moment iets hadden kunnen betekenen in Schotland – zeker niet meer dan in 8+. We hebben twee wedstrijden samen geroeid (Seneffe en RARC), en daaruit bleek ook dat ik (nog) niet de capaciteiten van een slagman had.
Hoewel de 8+ een ontgoocheling was qua resultaat, kijk ik persoonlijk erg positief terug op die ervaring. Ik heb erg veel bijgeleerd, zowel op technisch als tactisch gebied. Ik ben er een ‘bewuster’ roeier door geworden, een soort maturiteit die je nodig hebt op het hoogste niveau. Ik denk dus dat die 8+ zeker positief is geweest. Dat idee wordt ook bevestigd als ik andere jongens uit de 8+ terugzie: iedereen heeft er erg veel van geleerd. Ik denk niet dat ik zoveel had kunnen leren als we slechts met z’n tweeën naar het WK-23 waren gegaan. Een lange boot is hiervoor het beste.
RIB: Wat zijn je ambities voor dit seizoen ?
Winther DegrauweWinther: Mijn studies komen dit jaar op de eerste plaats: mijn scriptie moet af, die had ik uitgesteld om vorig jaar voluit voor het WK te kunnen gaan. Verder hoop ik na de grote sprongen van vorige jaren een kleine stap voorwaarts te doen op de ergometer en 6.10 te halen op de OBIC. Op het water zal vooral onze club 8+ primeren, en de 2x en 2- met Filip. Internationaal heb ik nog wel wat achterstand in te halen op de senioren A.
RIB: Wat zijn volgens jou je sterkste punten ?
Winther: Ik ben in de eerste plaats een ploegroeier. Dit houdt in dat ik me erg goed kan aanpassen aan omstandigheden, aan verschillende roeistijlen. Zowel in sculling als puntroeien ben ik redelijk goed denk ik – ik heb wel een voorkeur voor puntroeien, mijn bladwerk is zuiverder dan in koppel. Verder denk ik dat ik een gezonde mentale houding heb: ik kan erg goed naar een doel toewerken en dit doel vervolgens ook behalen. Dit zonder daardoor overdreven gefocust of gestresseerd te geraken. Voor de rest denk ik dat deze vraag beter door de mensen op de waterkant beantwoord kan worden...
RIB: Hoeveel trainingen per week werk je af en hoe moeilijk is dit te combineren met je studies ?
Winther: Zoals ik al zei: studies primeren dit jaar, dus het aantal trainingen is beperkt tot vijf à zes per week. Daarmee slaag ik er vooral in mijn niveau te behouden. Dit is uiteraard veel te weinig om de nodige sprongen voorwaarts te maken. Dat ik niet achteruit ga, geeft me wel de hoop dat er nog een serieuze groeimarge is. Mijn plafond is nog niet bereikt.
RIB: In 2012 zijn het Olympische Spelen in London. Een haalbare kaart ?
Winther DegrauweWinther: Of dat een haalbare kaart is, kan enkel de toekomst uitwijzen. Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat ik de mogelijkheden heb (fysiek en mentaal) om er te geraken. Ik ben dan ook vastbesloten er naartoe te werken: in 2012 wil ik in Londen als atleet aanwezig zijn. In dat opzicht heb ik enkele maanden geleden een aanvraag ingediend bij Defensie om een topsportcontract te verkrijgen. Jammer genoeg waren de resultaten wél voldoende, maar hadden ze individueel behaald moeten worden, en dus niet in 4- en 8+. Voorwaar een vreemde logica, maar goed, niets aan te doen. Ik zal dus net als de vorige generaties moeten gaan werken en ondertussen proberen het niveau omhoog te krikken.
Mijn stille hoop is ook dat er na de Spelen in Beijing een project op lange termijn opgestart wordt, om de talentrijke lichting (daar ben ik van overtuigd) van seniors B niet verloren te laten gaan. Anders dreigt opnieuw een tocht door de woestijn zoals jaren geleden. Het zou erg jammer zijn het harde werk en het vertrouwen van de voorbije jaren (ik denk hierbij uiteraard aan Dirk Crois maar ook aan Rudy De Coninck en Wim Crois) verloren te laten gaan.


